Zijn vriend Spider-Man

Het is 1962. Een 15-jarige jongen genaamd Peter Parker woont een demonstratie van radio-activiteit bij en wordt gebeten door een bestraalde spin, waardoor hij spinnenkrachten krijgt. Dit is de geboorte van Spider-Man, geschreven door Stan Lee en getekend door Steve Ditko. In het begin tenminste, want zoals in de superhelden-industrie gebruikelijk is zullen ook andere tekenaars zich ermee bemoeien, van wie John Romita jr. de belangrijkste is.

Dan wordt het 1986. Een 9-jarige jongen genaamd Michael Minneboo uit Hoorn komt bij een vriendje thuis en ziet “een slap, dun boekje” liggen, waarin hij begint te bladeren. “Ik zie een figuur aan een klein draadje langs hoge gebouwen slingeren. Hij draagt een rood-blauw kostuum waarop een webpatroon is getekend, en een masker met grote witte ogen. Op Spider-Mans borst zit een zwarte spin, op zijn rug een rode. Een gaaf pak waarin de elementen Man en Spin prachtig samenkomen.” De jongen weet dan nog niet dat hij een levenslange affectie voor deze figuur zal voelen.

In ‘Mijn vriend Spider-Man – Superhelden, Geeks en Fancultuur’ beschrijft Michael Minneboo (1977) hoe die vriendschap is gegroeid. Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat superhelden vaak een duale natuur hebben: ze hebben een alledaagse kant én een mythische. Superman is óók Clark Kent, Spider-Man is óók Peter Parker. De brildragende antiheld Peter verdient zijn geld door foto’s te maken van de held Spider-Man: ziedaar het schizofrene universum waar Marvel groot mee is geworden.

Later zal Minneboo zich vooral vereenzelvigen met de Peter Parker die is opgevoed door Tante May en gevoelens heeft voor Gwen Stacy en Mary Jane, maar eerst wil de kleine Michael Spider-Man zijn. En dus wordt het befaamde kostuum nagemaakt, met wit beddengoed dat rood is geverfd.  De webdraden zijn erop getekend met een watervaste markeerstift en uit een rode maillot wordt het masker geknipt. Minneboo heeft in zijn boek twee fotootjes van dit geïmproviseerde pak afgedrukt, waarop je kunt zien hoe hij tegen een bakstenen muurtje probeert op te klimmen. Keep dreamin’ denk je dan, maar dat is precies de crux van de escapistische superheldenstrip.

Wat opvalt in ‘Mijn vriend Spider-Man’ is de afwezigheid van ironie. Minneboo heeft niet ‘bij wijze van spreken’ vriendschappelijke gevoelens voor de stripfiguur, maar vindt echt troost bij hem, bijvoorbeeld als zijn ouders gaan scheiden of als een vriendin het uitmaakt. Zijn boek doet daardoor denken aan de documentaire ‘Life Animated’ van regisseur Roger Ross Williams, waarin je volgt hoe de autist Owen Suskind de wereld om zich heen leert begrijpen door het kijken naar Disney-tekenfilms. “Peter Parker is voor mij net zo echt als vrienden, familieleden en kennissen,” schrijft Minneboo. Om de essentie van het ‘fandom’ te doorgronden heeft hij gepraat met verschillende academici, onder wie rouwdeskundige Daan Westerink. In de strip sterft het meisje Gwen, en Michael had het daar moeilijk mee: “De begrafenis van Gwen was de eerste die ik in mijn leven meemaakte.” Westerink bevestigt dat strips kunnen helpen bij het overwinnen van doodsangst doordat de lezer zich identificeert met het vallen en opstaan van hun held. Wetenschapper Linda Duits zegt tegen Minneboo: “Wat jij met Peter Parker hebt noemen we een parasociale relatie.” Niks mis mee, want fans van Friends die het gevoel hebben dat ze Joey en Rachel ‘persoonlijk’ kennen, hebben ook een parasociale relatie. Als je teleurgesteld raakt in je idool, bijvoorbeeld doordat de Spider-Man-verhalen steeds slechter worden, kun je een anti-fan worden. En dat wil Minneboo voorkomen: hij stopt dus met het lezen van nieuwe avonturen. “De enige optie die mij rest is het opgeven van Peter Parker.”

‘Mijn vriend Spider-Man – Superhelden, Geeks en Fancultuur’, Michael Minneboo, Uitgeverij Q, ISBN 9789021404035, ***.

N.B. De Volkskrant-redactie had per ongeluk een verkeerde cover afgedrukt bij dit artikel.

Geplaatst in Volkskrant