Vrij naar Bosch en Mondriaan

Marcel Ruijters is de mediëvist onder de Nederlandse stripmakers. In zijn boeken Sine Qua Non, Inferno en Alle Heiligen bieden de Middeleeuwen steevast het decor voor uitzinnige gebeurtenissen en dus verwondert het niet dat Ruijters (1966) nu met Jheronimus komt, een getekende biografie van Jeroen Bosch, 500 jaar na diens dood. Ruijters is in zijn strips bepaald niet vies van apocalyptische sferen, maar houdt zich in deze biopic enigszins in omdat hij het verhaal wil vertellen van Jeroen, Jan en Goessen van Aken, drie broers uit Den Bosch die naam maken met hun bizarre drieluiken. In Ruijters’ versie doen zij net onderzoek voor De tuin der Lusten en gaan ze met Allart Duhameel, bouwmeester van de St. Jan, naar de kroeg om onkuise beelden ‘te verzamelen’. Ruijters maakt daarvan gebruik om liederlijk lelijke koppen te tekenen zoals we die kennen van het schilderij De Kruisdraging, waar Christus wordt omringd door allerhande misbaksels.
Tot drie keer toe legt Ruijters deze woorden in de mond van Bosch: “Van opzij bezien toont de mens die zich onbespied waant zijn bestiale karakter: ziedaar de mens!” Hierdoor portretteert Ruijters de meester niet als een ijlend genie dat ‘duiveleriëen’ schildert omdat hijzelf door Satan is bezeten, maar eerder als een scherp observerende moralist die net als Erasmus doordrongen is van de zotheid van zijn medemens. In de golf kunstenaarsbiografieën die stripmakers in binnen- en buitenland publiceren (Rembrandt, Van Gogh, Schwitters, Munch en Werkman kwamen eerder al aan bod, Warhol is in de maak) is Jheronimus een bedachtzame nieuwkomer. De robuuste, houtsnede-achtige tekenstijl van Marcel Ruijters leent zich daarbij perfect voor het tot leven brengen van 15de eeuwse taferelen.

Als je het omslag ziet van Het Tuitel Complex van Wasco is de eerste gedachte: ojee, ook Mondriaan is verstript! Maar nee, Mondriaans horizontalen en verticalen zijn door Wasco (1957) gebruikt om als stripkader te fungeren en steun te bieden aan katten, vogels, bomen en hijskranen. Kaders zijn het fundament van de strip en daarom heel belangrijk in het oeuvre van deze tekenaar, die onophoudelijk onderzoekt hoe het mechaniek van zijn kunstvorm werkt en welke route het oog van de lezer van plaatje naar plaatje volgt. Het resultaat van die studies is vaak even abstract als de Boogie Woogies van Mondriaan, maar het verschil is dat Wasco toch personages nodig heeft, hoe summier ook, om zijn raamwerken een vertelperspectief te geven. Vandaar de figuurtjes Tuitel met zijn puntmuts en het hondje Phiwi. Hun avonturen zijn geometrisch van aard, ze wandelen door doolhoven, klimmen door rasters, verdwijnen achter strepen van inkt die de horizon voorstellen. Maar nu en dan slaat Wasco een andere weg in en besluit hij bijvoorbeeld ‘Amerika – De avonturen van K. en B.’ te tekenen, een interpretatie van Hergé’s klassieke stripalbum uit 1932 waarbij het verhaal in een steno-versie wordt herverteld in kleine zwartwit-plaatjes. Appropriation in stripgedaante.

Het Tuitel Complex, een idioot en absurd boek (Wasco’s eigen woorden), is door hem van een fraai intro voorzien. Er staat onder meer dit: “U bevindt zich in een wereld. Mijn wereld. Een getekende wereld. Een wereld van kaders en lijnen en inkt en papier. De wereld van de strip. […] Ik teken niets méér dan kaders. Dan lijnen. Ik week de strip los van de wereld. Mijn kaders zijn niet langer de ramen waardoor je naar de buitenwereld kunt kijken. Het zijn ramen waardoor je naar een strip kijkt.”
Wasco’s wereld is een omgekeerde.

Marcel Ruijters, Jheronimus,ISBN 9789462261495,Uitgeverij Lecturis, € 19,95, gebonden, 4*. Getekend in opdracht van stichting Jheronimus Bosch 500.
Wasco, Het Tuitel Complex, ISBN 9789492117328, Uitgeverij Scratch, € 29.90, gebonden, 5*.

Geplaatst in Volkskrant