Peter van Dongen, de sequel

Vallei der Onsterfelijken

“Een Klare Lijn met een Indisch tintje.” Dat is de kortste samenvatting van het oeuvre van tekenaar Peter van Dongen, die op 31 maart de Stripschapprijs krijgt in de Jaarbeurs in Utrecht, waar De Stripdagen & Dutch Comic Con plaatsvinden. Het citaatje komt uit het juryrapport, waarin Van Dongen (1966) wordt geroemd om zijn graphic novel ‘Rampokan’, over de politionele acties in Indonesië. De stripmaker brak er internationaal mee door. Eind vorig jaar voegde hij een nieuwe parel aan zijn schatkist toe, een verstripping van de Indische roman ‘Familieziek’ van Adriaan van Dis. Hij kwam ermee in ‘De Wereld Draait Door’, drie dagen later was de eerste druk uitverkocht.

Wat zijn Klare Lijn betreft: dat is de schone, schaduwloze lijn die we kennen van Kuifje. Maar diens schepper Hergé was niet de enige Brusselaar die er furore mee maakte, ook E.P. Jacobs van de bijna net zo klassieke stripreeks ‘Blake en Mortimer’ werd er beroemd mee. Zijn album ‘Het Gele Teken’ is in België zelfs uitgeroepen tot strip-van-de-eeuw! Peter van Dongen werkt al sinds de jaren tachtig in de Klare Lijn, maar zijn meesterstuk moet nog komen. Dit najaar verschijnt een nieuw verhaal in de ‘Blake en Mortimer’-serie, ‘De Vallei der Onsterfelijken’, dat hij tekent samen met collega Teun Berserik, op een scenario van de Franstalige Belg Yves Sente. Bij zulke sequels gaat het om grote getallen: de Nederlandse oplage zal 30.000 albums bedragen, de Franse zelfs 400.000.

Dit megaproject heeft een voorgeschiedenis. Edgar P. Jacobs (1904-1987) verbond zijn naam aan twaalf albums, maar heeft het laatste deel niet kunnen afmaken. Dat deed zijn collega Bob de Moor in 1990, waarna een omvangrijk postuum oeuvre zou volgen. Nieuwe avonturen van de Britse professor Philip Mortimer en kapitein Francis Blake zijn sindsdien bedacht door verschillende tandems van francobelgische afkomst (zie kader), nooit door Nederlanders. “Alles van boven Brussel was niet goed genoeg, ” zegt Van Dongen.

Niet goed genoeg, dat vond uitgeverij Dargaud ook toen tekenaar Theo van den Boogaard was gevraagd een nieuw deel van ‘Blake en Mortimer’ te gaan maken en hij Teun Berserik als ‘partner in crime’ benaderde voor het tekenen van de decors. Hun proefpagina werd afgekeurd, en is alleen stripblad ‘Eppo’ verschenen. Maar omdat Dargaud wel degelijk nieuwe tekenaars zocht en de naam Peter van Dongen in Brussel al was gevallen, besloot deze samen met Teun Berserik ook een proefpagina te tekenen. Een schot in de roos, want het duo kreeg de opdracht om meteen een tweedelig verhaal te gaan maken. Dargaud vroeg Van Dongen ook om beide delen in te kleuren. Daar is hij nu mee bezig, één bladzijde kleuren duurt een dag. “Dat is te lang!” geeft hij toe.

Er is een rolverdeling. Teun Berserik tekent de cover van deel 1, Peter van Dongen die van deel 2. Samen maakten ze een eerste indeling van het verhaal op postzegelformaat, “om meer grip op het verhaal te krijgen”, vervolgens deed Van Dongen de découpage (het verdelen van de kaders op de strippagina). Hij zorgt ervoor dat elke spread rechtsonder heel klassiek eindigt met een cliffhanger, want Jacobs tekende nog voor weekbladen en moest per aflevering de  spanning erin houden. Van Dongen: “Mijn Frans is slecht, dus ik heb met behulp van Google Translate het scenario uitgewerkt. Yves Sente zei later: ‘Dat is voor 99% precies zoals ik het zelf voor ogen had!”

‘Het Geheim van de Grote Pyramide’, om precies te zijn de Nederlandse editie uit 1954, gebruiken de tekenaars als stijlvoorbeeld. Van Dongen legt uit: “Een kroontjespen geeft een strakke lijn, met penseel wordt het meer dik-dun,. ‘Het Gele Teken’ is bijvoorbeeld helemaal met penseel getekend, wat een vrij vette lijn geeft. ‘De Grote Pyramide’ gaat meer richting Kuifje. We kiezen ervoor om de achtergronden met kroontjespen te tekenen, en de personages met penseel: zo creeër je diepte.”

De tekenaars doen per deel elk 27 pagina’s, en laten elkaar hun potloodversies zien om fouten te corrigeren. “Teun is beter in auto’s en vliegtuigen, ik ben beter in anatomie,” zegt Van Dongen. Kritiek geven op elkaars werk, gaat dat zonder frictie? “Tuurlijk wel! Als Teun zegt: ‘Dit armpje staat een beetje gek’ is dat wel vervelend, maar hij kijkt met een frisse blik en ik kan het dan nog verbeteren. Straks kijken er 400.000 man over je schouder mee. Met een klare lijn kun je niet schmieren, je kunt je niet verschuilen want je ziet alles!”

Professor Mortimer en kapitein Blake zijn onsterfelijk. Na de dood van geestelijk vader E.P. Jacobs beleefden ze postume avonturen in alweer 13 albums. Ted Benoit en Jean Van Hamme begonnen in 1996 met ‘De zaak Francis Blake’, maar hofleverancier zijn André Juillard en Yves Sente, die zeven titels op hun naam zetten: ‘Het Voronov-complot’, ‘De sarcofagen van het 6e continent’ (tweedelig), ‘Het heiligdom van Gondwana’, ‘De eed van de vijf lords’, ‘De Staf van Plutarchus’ en ‘Het testament van William S.’

En er zijn inmiddels nieuwe belevenissen in de maak, naast die van Berserik en Van Dongen, waaraan onder meer de Fransman Jean-Luc Fromental en de Brusselaar François Schuiten meewerken.

Uitreiking Stripschapprijs aan Peter van Dongen op zaterdag 31 maart, Jaarbeurs Utrecht. Een gewijzigde versie van dit artikel stond op 28 maart 2018 in de Volkskrant.

Geplaatst in Volkskrant
Categorieën
Spring naar werkbalk