Hoe het oog wordt verleid

HUBERT_hoofdstuk1-3_6De bron der inspiratie uit 1907 is geschilderd door Constant Montald, een weinig bekende held van de Art Nouveau, en hangt in het Brusselse Museum voor Schone Kunsten. Details uit dit werk vullen de eerste drie bladzijden van Hubert, het tere stripdebuut van Ben Gijsemans (1989). Steentjes op de grond, reflecties in water, een frêle vrouw die druppels uit de bron opvangt: het is museumbezoeker Hubert die dit alles in zich opneemt. Hij is een sukkelige man met bril en windjack die stilletjes door de museumzalen loopt alvorens zich in de hectiek van het Brusselse verkeer te begeven. Eenmaal thuis kruipt hij achter de ezel om Montalds bron der inspiratie na te schilderen, met hulp van een plaatje op zijn laptop. Peinzend kijkt hij naar buiten, waar een etage lager, ingekaderd door het kozijn, een meisje in beeld verschijnt. Een echt meisje, geen geïdealiseerde muze. Hij maakt stiekem een foto van haar.

‘Kijken is bekeken worden’ schreef Komrij in 1996 en in die essaybundel heeft hij het over de emotie van de stagnatie, het vermogen om een beeld zuiver te zien, zonder afleiding, zelfs zonder esthetiek. In Gijsemans’ Hubert gebeurt bijna niets en draait alles om het kijken, het bekeken worden en het terugkijken. De blik wil discreet zijn, maar is het niet. Hubert gaat naar Parijs om de Olympia van Manet te zien, het schaamteloze naakt dat zonder te knipperen naar de beschouwer terugblikt. Later – en dat is eigenlijk de enige ‘gebeurtenis’ in het boek – probeert de hospita Hubert te verleiden. Hij gaat er niet op in, maar besluit iets te doen dat hem misschien ietsje dichter bij de erotische werkelijkheid zal brengen: hij begint zijn foto van het buurmeisje na te schilderen.

Stripkunst is seriële kunst, die werkt met reeksen van beelden. In die beeldreeksen verstrijkt tijd en Gijsemans is er een meester in om het verstrijken van de tijd te stagneren. Van kader tot kader zijn de veranderingen vaak miniem, zodat je als lezer vanzelf beter gaat kijken, want er is iets veranderd! Zo word je meegezogen in de zwijgende wereld van vrijgezel Hubert, die de wereld aanraakt met zijn ogen en zich bevredigt met zijn blik.

Bij dezelfde uitgever (Oogachtend) verschijnt tegelijkertijd het boek Panter van Brecht Evens (1986). Het contrast tussen de stripmakers is enorm, al zijn ze bijna leeftijdgenoten. Gijsemans is twee jaar terug afgestudeerd aan de academie van Gent, Evens heeft al een boekenplank vol getekend en wordt uitgegeven in zes talen. Hoofdrolspeler Hubert is stijfjes en verlegen, de Panter van Evens danst en charmeert. Ingetogen tinten bij de één, uitbundige kleuren bij de ander. Na het internationale succes van Ergens waar je niet wilt zijn komt Evens nu met een werk dat een vriendelijk kinderboek zou kunnen zijn, maar het niet is. Het verhaal gebruikt dezelfde truc als Calvin & Hobbes van Bill Watterson, waarin een jongetje dingen beleeft met een tijger die alleen hij kan zien. Bij Evens is het een meisje dat een panter heeft gematerialiseerd om het gemis van haar dode moeder op te vangen. Dit roofdier, opduikend uit een la van de commode, kan als een toverbal allerlei gedaanten en kleuren aannemen en weet het meisje volledig in te palmen. Het geflikflooi wordt zo opdringerig dat de lezer – maar niet het naïeve kind – zich begint af te vragen of de panter geen predator is, een knuffeldier met perverse bedoelingen. Als dit een kinderboek is, dan wel een van het Hofnarretje-soort. Niet dat er iets expliciets gebeurt: wat verleidt wordt is vooral het oog van de lezer, dat zich kan verlustigen aan de virtuoze aquarellen van Brecht.

Hubert, Ben Gijsemans, Uitgeverij Oogachtend, ISBBN 9789077549872, € 19, 4*

Panter, Brecht Evens, Uitgeverij Oogachtend, ISBN 9789077549889, € 24, 4*

Geplaatst in Volkskrant