Heerlijke vochtigheid

kousboekGabriël Kousbroek is het kind van. Zoals anderen de dochter zijn van (Liza van Judy), of de broer zijn van (Heinrich van Thomas).  De schrijvers Rudy Kousbroek en Ethel Portnoy waren de ouders van Gabriël Kousbroek, die nu een boek heeft gepubliceerd dat ‘Kousboek’ heet. Voorin memoreert hij dat zijn ouders hem plachten te waarschuwen voor interviewers, die via de zoon meer te weten wilden komen over de ouders. “Omdat mijn vader mij voor dit soort omkoperij had gewaarschuwd, ben ik er altijd voor op mijn hoede geweest, maar nu mijn ouders zijn overleden, is die voorwaarde komen te vervallen.”

Die voorwaarde is vervallen: bedoelt hij niet dat de dreiging van omkoperij is verdwenen? In ieder geval heeft de afkeer van het kind-zijn-van plaatsgemaakt voor een trots-zijn-op, want in het ‘Kousboek’ nemen de letterkundige ouders een prominente rol in en hun letterkundige vrienden ook: Gerard Reve, Karel van het Reve en Remco Campert komen voorbij, en meer dan dat. Aan Gerard en zijn vriend Joop Schafthuizen is een onverkwikkelijk hoofdstuk gewijd waarin vader Kousbroek met zijn 16-jarige zoon en diens vriend Guido een bezoek brengt aan Le Poët in Frankrijk, waar de Volksschrijver woont. Schafthuizen probeert Guido aan te randen (“Ik wilde hem alleen maar even masseren…”) en Reve duwt met enig geweld zijn tong in de mond van de tiener. Interessante voetnoot bij de biografie van Nop Maas.

Qua genre is het ‘Kousboek’ moeilijk te etiketteren. Het bestaat uit veertien autobiografische anekdotes, die zowel zijn getekend als opgeschreven. Dubbelop, en dat doet ergens aan denken. Striptekenaar Edgar P. Jacobs van de klassieke reeks ‘Blake & Mortimer’ werd vaak beschuldigd van tautologische woord-beeldcombinaties: je ziet een man een kamer uithollen en Jacobs schrijft erbij dat een man een kamer uitholt. Kousbroek junior doet hetzelfde, maar erger. Vaak  beschrijft hij in proza exact wat daaronder in beeld wordt gebracht, inclusief letterlijke herhalingen van dialogen. Dat maakt deze boventekststrips –  het etiket is gevonden – soms wat langdradig. Een mooie uitzondering is het hoofdstuk ‘Een nachtvlucht naar Caïro’, waarin Gabriël met zijn vriend Ivo in een chartervliegtuig naar Egypte reist. Aan boord zijn tachtigduizend broedkuikers, waarvan een kwart de vlucht niet zal overleven. Ook zijn er rouwende Ghanezen met een doodskist die luidruchtig zitten te huilen. Kousbroek beschrijft het een en toont het ander, beeld en tekst zijn complementair, wat de leeservaring wel zo spannend maakt.

Aan de teksten zelf had de eindredacteur nog wat mogen sleutelen. Kousbroek verhaalt hoe hij is ontmaagd op de begraafplaats Père-Lachaise in Parijs, op de zerk van Jim Morrison. “Ik gaf me over aan het lekkerste gevoel dat ik ooit heb ervaren.” Een pagina verderop: “Door de heerlijke vochtigheid van het in iemand anders zijn kwam ik vrijwel onmiddellijk klaar.” In 1988 verscheen het essay ‘De troost der pornografie’ van Rudy Kousbroek in zijn boek ‘De onmogelijke liefde’ waarin hij vertelt dat de eerste pornografische film die hij zag, met die diepe kleuren en ingekeerde gezichten, hem deed denken aan een prerafaëlitisch schilderij. “Rozegeur en maneschijn.” Op Jim Morrison was het wat prozaïscher.

‘Kousboek’, Gabriël Kousbroek, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, € 19,95, ISBN 9789038896526, ***. Deze recensie verscheen op 30 maart in de Volkskrant.

Geplaatst in Volkskrant