De Verbeelders

11404279_omslag_De verbeeldersIn 2009 kreeg kunstenaar Rob Scholte een prent van Jan Sluijters cadeau. Die vond hij zo mooi dat hij alle 77 illustraties die Sluijters voor De Nieuwe Amsterdammer had gemaakt, ging verzamelen. Ze hangen nu in de Fundatie te Zwolle. Scholte wist niet dat de schilder Sluijters ook tekende en dat wekt verbazing, want politieke prenten als ‘Oorlogken is jarig’ uit 1916 mag je toch iconisch noemen. Maar het zegt iets over de lage status die de illustratie lange tijd had ten opzichte van het autonome schilderij.

Daaraan is nu iets gedaan met het lijvige De verbeelders – Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw van Saskia de Bodt, bijzonder hoogleraar Illustratie aan de Universiteit van Amsterdam. “Dit boek gaat expliciet over de positie van de illustrator en zijn werk, impliciet is de relatie met tekst en met beeldende kunst het onderwerp,” meldt de inleiding. Dat klinkt wat streng, maar het pakt prettig uit. De Bodt en haar medewerkers hebben de afgelopen eeuw onderverdeeld in zes tijdvakken, die allemaal een eigen introductie krijgen, waarna individuele illustratoren aan de lezer worden voorgesteld.

Daar zitten aangename verrassingen tussen. Marius Bauer bijvoorbeeld (1867-1932), die door De Bodt ‘een interpretator van teksten’ met ‘visuele gedachtenspinsels’ wordt genoemd. Hij illustreerde verschillende literaire werken, maar zijn magnum opus was een privé-project: Bauer versierde zijn eigen uitgave van de 1001-en-een-nacht met 2925 schetsen!

Andere grote namen ontbreken in De Verbeelders. Waarom staat er bijvoorbeeld helemaal niets in uit het oeuvre van M.A. Koekkoek, die samen met Ising en Jetses het supertrio van de educatieve illustratie vormde? Zijn schoolplaten worden nog altijd druk verzameld.

De chronologische indeling maakt het eenvoudig om stijlontwikkelingen te volgen. In de eerste helft van de 20ste domineert de Jugendstil en het is bijna een opluchting als de Russen hun verfrissende modernisme op het illustratorengilde loslaten. Alsof er een raam wordt opengezet. Voor die tijd is het alleen Lou Loeber die nadrukkelijk de invloed van De Stijl in zijn hoekige illustraties verwerkt. Na de Tweede Wereldoorlog is het natuurlijk Cobra dat voor verandering zorgt: Lucebert, Kouwenaar en Appel illustreren hun eigen poëzie. De opkomst van illustraties in boeken en tijdschriften aan het eind van 19e eeuw had nog veel te maken popularisering en volksopvoeding. Na de oorlog is de beeldcultuur veel minder dienstbaar en voor de illustrator betekent dat statusverhoging. Sterren als Dick Bruna, Fiep Westendorp en Thé Tjong Kingh winnen prijzen, krijgen tentoonstellingen en worden in andere talen vertaald. Tenminste: als er tekst in staat. De Waar is de taart-boeken van Kingh zijn woordeloos en dagen de lezer uit om zelf het verhaal in de tekening te zoeken.

De Verbeelders eindigt met een optimistisch getoonzette hint naar De Bodts collega-wetenschappers: “De antropologen, sociologen, historici, psychologen, rechts- en cultuurhistorici, enzovoort die de maatschappelijke en culturele invloed van dit illustratiemateriaal breder willen onderzoeken, bieden we met dit overzichtsboek een historisch uitgangspunt en – wat belangrijk is – veel beeldmateriaal.” Plaatjes kijken: maar wel op niveau.

‘De verbeelders – Nederlandse boekillustratie in de twintigste eeuw’, Saskia de Bodt, Uitgeverij Vantilt,  ISBN 9789460041877, € 35,00, 4*. Deze recensie stond op 25 oktober in de Volkskrant.

Geplaatst in Volkskrant
Categorieën
Spring naar werkbalk