Stereo

Stochastic_Resonance_High_Noise_Level‘Met twee oren is men in staat twee verschillende signalen te verwerken (links en rechts) en de menselijke hersenen kunnen hieruit een zekere mate van ruimtelijkheid in het geluid waarnemen. Dit is stereo.’

Bron: Wikipedia

 

Drie jaar voor mijn geboorte schilderde Salvador Dalí zijn ‘Corpus Hypercubus’, een variant op de canonieke kruisiging waarbij Christus voorin een stapeling van kubussen hangt. De katholieke surrealist probeerde een meerdimensionaal effect te bereiken dat een kwart eeuw later in mijn eigen leven op ergerlijke wijze weerklank vond. In 1979 maakte ik een tekening van mijzelf, opgesloten in een kamer die het middelpunt vormde van een doorzichtige blokkendoos met andere kamers aan de voor- en achterkant, boven- en onderkant, linker- en rechterkant. Aanleiding voor de weergave van dit schema was een zondagmiddag met geluidshinder uit alle zes werelden die aan mijn kamer grensden. Ik voelde me een insect gevangen in een limonadeglas van herrie, verlamd door lawaai, kwijnend in een kakafonie van burengerucht. Plek des onheils: Scheepmakersdijk te Haarlem.

Boven:

Christian Cugny was een roodharige Fransman met baard en tuinbroek. Het waren de jaren zeventig, mijn kozijnen waren poepbruin geverfd en in de vensterbank stonk een citroengeranium. Ik kon hem zijn uitdossing dus niet kwalijk nemen. Helaas hoorden er ook klompen bij waarmee hij over mijn schedeldak kloste, dat wil zeggen: over de kale, planken vloer die zijn woonruimte scheidde van de mijne. ’s Avonds wilde hij nog weleens folkmuziek opzetten, te hard natuurlijk, maar op verzoeken het volume te beperken reageerde hij slechts met chagrijn, waarna mijn gelijkvloerse en eveneens getergde buurman de stoppen eruit trok. Gevloek in het Bretons.

Onder:

Iedereen ging naar de sociale academie in die jaren, of zat in de verpleging, psychiatrisch of anderszins. Onder mij huisde een samenwonend stel van eind dertig, echte gogen, werkzaam in gekkenhuis Vogelenzang, zij met hennarood haar en turquoise jurken, hij met bakkebaarden en een verlopen vel. Periodiek werd er geruzied, eerst op normale ruzietoon, en naarmate de middag en de avond vorderden steeds luider en hysterischer, aangemoedigd door wijn en whiskey, tot krijsens (zij) en brullens (hij) toe. Het eindigde met klappen en gejammer, en één keer heb ik serieus overwogen de politie te bellen. Als er niet luidruchtig werd geruzied, werd er dito geneukt.

Voor:

Aan de straatkant woonde mijn schoolvriend Frans Xaverius Fonville, rechtenstudent, amateur-violist en zoon van een handelaar in noten, honing en thee. In de winkels van zijn vader heb ik cashewnoten gebakken en Lapsang Souchon verkocht, maar dankzij de familie Fonville kwam ik ook in aanraking met de oeuvres van Hergé, Nabokov en Bartók. Studentikoos, toch smaakvol. Frans sliep in een bedstee met klapdeurtjes, en die bedstee lag pal achter de kast waarin mijn pick-up stond. Ertussen een dun wandje van hardboard. Omdat Frans geen ochtendmens was maar wel op tijd wakker moest worden, zette hij zijn metalen Hema-wekker met koperen bellen bovenop een stapel soepborden, legde daar wat vorken en lepels naast, en trachtte met hulp van gerinkel en gekletter zijn dromenland te verlaten. Ik hoorde alles.

Achter:

Het kostte spierkracht. Met sjorren en rukken ging het raam aan de achterkant zover omhoog dat je door het ontstane gat naar buiten kon klimmen en op het balkon belandde. Algen op de tegels, bladderende verf. Vanaf hier keek je uit op het Spaarne, een rivier die amper stroomt maar wel slingert en veel stuurmanskunst vergt van de binnenvaartschippers die hun aken naar de Mooie Nel loodsen. Langsglijdende namen als Bona Spes, Adagio, Nihil Perfectum. De sonore scheepstoeters reiken ver en diep, al valt hun stootkracht in het niet bij de laagfrequente trillingen die de dieselmotoren voortbrengen als de draaibrug eindelijk opengaat en de zwartgeteerde romp van zestig meter lengte weer vaart kan maken. De sponningen beven, maar het balkonraam valt niet dicht.

Links:

Why not. Zo heette de disco waar mijn linkerbuurman werkte als disc-jockey, zoals dat toen nog heette. Hij heette Wilfred, was knap en geliefd bij nog knappere meisjes. Uit hoofde van zijn beroep kwam hij zeer vroeg in de ochtend thuis en nam helaas een deel van zijn werk mee: gebonkebonkebonk tot aan het ochtendgloren. Na het middaguur ontwaakte hij en ging met een nieuwe verovering op zijn achterplatje zitten bomen en roken, spiegeleieren eten, uitkateren, urenlang. Dit alles binnen gehoorsafstand, binnen blik- en schootsveld. Waarom niet?

Rechts:

Volkse mensen, een ouder echtpaar, Hollanders zoals ze niet meer gemaakt worden. Hebben de bloeitijd van Droste en Figee nog meegemaakt, Haarlemse industrieën (cacao en staal) die allang ter ziele zijn. Als je ze op straat tegenkomt groeten ze niet of nauwelijks, vanuit hun ooghoeken gluren ze wantrouwig naar je. Student Frans en ik staan bekend als junk, homo en uitkeringstrekker, alles ten onrechte. Men kan ons niet ‘plaatsen’. We hebben geen bouvier of doberman. Als de rechterburen weer veilig thuis zijn, draaien ze orgelmuziek. Geen ‘Toccata en fuga’ of ‘Ach wie nichtig, ach wie flüchtig’, maar schetterende wijsjes uit het pierement en het bijbehorende repertoire: ‘Daar waar de molens staan’ en ‘Hier heb je de ring van mijn vinger’. Er zit vast geen spouwmuur tussen hun en mijn. Ik hoor, nogmaals, alles!

 

 

Geplaatst in Uncategorized