God promoten met humor

crumbAls middel om ongeletterden te bereiken gaat de religieuze strip terug tot de glas-in-loodramen, maar in de nieuwste ’relistrips’ staat de geloofsbeleving van de auteur centraal. Daarmee is het genre volwassen geworden, al blijft de Profeet buiten beeld.

’Waarom slaat gij mij?” Die vraag komt uit de mond van een ezelin en de woorden zijn geschilderd in een soort tekstballon. Dat klinkt alsof het om een stripverhaal gaat, maar dit tafereel ’Bileam en de ezelin’ is te bewonderen op een van de Goudse Glazen, de zestiende-eeuwse gebrandschilderde ramen in de Sint Janskerk van Gouda. Wie het complete verhaal van de sprekende ezelin wil lezen, kan terecht in bijbelboek Numeri, hoofdstuk 22. Maar wat als je analfabeet bent? In de middeleeuwen werden bijbelverhalen gebrandschilderd op glas, zodat laaggeschoolde kerkbezoekers met eigen ogen de heilige tekst konden volgen. Moderne gelovigen, ook zij die niet of slecht kunnen lezen, kunnen gebruik maken van bijbels in stripvorm, die in allerlei stijlen en landen worden uitgegeven. Er bestaan zelfs manga’s (typisch Japanse stripvorm, red.) van heiligenlevens.

Tekenaar Willem de Vink maakte in 1993 het stripboek ’Jezus Messias’, dat inmiddels door de organisatie Wycliffe Bijbelvertalers in 43 talen is vertaald, om wereldwijd zoveel mogelijk mensen in contact te brengen met de Heilige Schrift. Vooral mensen, zoals Wycliffe zegt, ’die niet uit een leescultuur komen’. Vandaar dat de organisatie zich concentreert op de Afrikaanse lezer: alleen al voor Togo en Benin verschenen edities in de talen Kabiyé, Nawdm, Gangam, Lama, Fon, Idaasha, Baatonum, Fulfulde, Lokpa, Monkolé, Sola, Yom en Yoruba. In Nederland zijn van deze ’startbijbel’ een half miljoen exemplaren verkocht en bestaan er edities in het Zeeuws en het Fries.

De laagdrempeligheid van strips is mooi, maar er is nog een reden dat tekenaars zich met de Bijbel bezighouden: die staat bomvol scenario’s voor dramatische beeldverhalen. Politiek cartoonist en voormalig seminarist Theo Gootjes vond dat ook en publiceerde dit voorjaar zijn ’Gootjesbijbel’. „Het is begonnen met het illustreren van Hooglied”, zegt hij. „Toen mijn oudste zoon ging trouwen heb ik de tekeningen en getekende tekst aan hem en zijn vrouw cadeau gedaan. De tekst maakte een enorme indruk op mij en ik besloot het Oude Testament weer eens te gaan lezen. Al lezende kwam de vraag bij mij op of de teksten mij nog zouden inspireren om deze te illustreren. In de zomer van 1995 begon ik met het overschrijven van de tekst en met het tekenen. Elke dag op een vast tijdstip en een vast aantal uren, zoals de monniken dat eeuwenlang deden aan hun scriptorum. Na een half jaar was de klus geklaard. Ik deed het puur voor mijzelf en had geen publiek voor ogen. In 2008 zag Jos Swiers, uitgever van bibliofiele uitgaven, de teksten met illustraties en besloot het werk uit te geven.”

De Gootjesbijbel was geboren en in no time uitverkocht.

Nog zo’n voorbeeld. Drie jaar terug verscheen ’Prediker in beeld’ van tekenaar Christian Zomer, dat Uitgeverij Vuurbaak aanprijst als ’een geschenk voor lezers en niet-lezers’. Dat laatste slaat op het hoge visuele gehalte van het boek. Kennelijk was het een succes, want later volgden ook nog de delen ’Psalmen voor ogen’ en ’Spraakmakende spreuken’. Alles op teksten van de vrijgemaakt-gereformeerde predikant Adrian Verbree.

Waarom koos hij voor deze visuele versies? „Als student theologie had ik me al voorgenomen te zijner tijd cartoons te gebruiken om de Bijbelse boodschap over te brengen”, zegt Verbree. „Ik houd van strips en cartoons en miste het gebruik daarvan in mijn kerkelijke traditie. Hier was een inhaalslag te maken. Zeker in combinatie met humor zou het volgens mij een krachtig en prachtig middel kunnen zijn. Daarnaast kon, ook toen al, een kind zien dat de protestantse leescultuur onder druk stond. De kaalslag op dat terrein is sindsdien alleen maar toegenomen. Niemand leest nog zware werken. Maar houd de tekst kort en zet er een cartoon naast en je wint een stuk van het verloren terrein terug. Toen ik in Christian Zomer – nota bene in mijn eigen dorp Gramsbergen – een cartoonist vond die mijn ideeën goed aanvoelde, was het tijd om aan de slag te gaan. We hebben nu drie deeltjes: Spreuken, Prediker en Psalmen I, en binnenkort verschijnt deel vier over het Hooglied.”

En er is nog meer. De Amerikaanse tekenaar Steve Ross verstripte de brieven van Paulus (‘Blinded: The Story of Paul the Apostle’) en bewerkte eerder al het Evangelie van Marcus. Openbaringen was een inspiratiebron voor de Amerikaanse stripmaker Basil Wolverton van wie recentelijk ’The Wolverton Bible’ op de markt is gebracht. En dit najaar komt er een Genesis-verstripping van underground-kampioen Robert Crumb bij: „Het eerste bijbelboek grafisch verteld. Niets weggelaten!”

Crumb heeft inderdaad niks weggelaten, dus ook niet een afbeelding van God. De tekenaar overwoog eerst een wit schijnsel in de hemel te tekenen met tekstballonnen eromheen, maar kreeg toen een droom waarin God aan hem verscheen met een witte baard en het gezicht van zijn vader. „Heel mannelijk.”

Een gewaagde keuze van Crumb, want in de veelgelezen bijbelverstripping van Maddox en Anderson (‘De Bijbel in strip’) is géén afbeelding van God te vinden, overeenkomstig het tweede gebod: ’Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is’. Maar christenen springen losjes om met dit gebod, getuige de talloze plaatjes van God als een mijterloze Sinterklaas; je hoeft bij Google Afbeeldingen maar het woord ’god’ in te tikken en je wordt op je wenken bediend.

In islamitische strips wordt met aanzienlijk meer schroom omgesprongen met dit soort visualiseringen. De Profeet wordt principieel buiten beeld gehouden, waarbij zijn uitspraken soms wel in tekstballons worden getoond, of hij wordt aangegeven met stippellijnen die de contouren van zijn lichaam volgen, zodat de Profeet alleen als abstractie aanwezig is.

Hoe discreet of juist vrijpostig met taboes wordt omgesprongen in religieuze strips, kan iedereen zelf opzoeken met behulp van de website comicbookreligion.com, die nauwkeurig bijhoudt welke denominaties in welke strips voorkomen. En dat kan tot verrassingen leiden. Kijk je bijvoorbeeld bij ’Dutch Reformed’, dan beland je bij het indianenopperhoofd Geronimo die de inheemse tradities heeft ingeruild voor het christelijk geloof. Hindoeïsme? Taoïsme? Animisme? Noem een vorm van geloven en er is een tekenaar mee aan de slag gegaan. Uitgeverij L heeft onlangs het achtste en laatste gebonden deel van Osama Tezuka’s epos ’Boeddha’ uitgebracht, waarmee ook het nirvana is toegevoegd aan het arsenaal van de relistrip.

Naast al deze canonieke varianten is er nog een ander soort religieuze strip: die de geloofsbeleving van de auteur zelf in beeld brengt. Dankzij de opkomst van de graphic novel (striproman) komt er voor tekenaars steeds meer ruimte voor introspectie en verdieping. Enkele jaren terug leidde dat al tot de bejubelde autobiografie ’Een deken van sneeuw’ van Craig Thompson, die in 600 bladzijden vertelde hoe hij worstelt met zijn strenggelovige opvoeding en het oordeel van zijn ouders moet trotseren om een leven zonder angst en schuldgevoel te kunnen leiden. Dat verhaal kenden we al van Jan Wolkers en Maarten ’t Hart, maar die zijn geen striptekenaar. Thompson heeft het voordeel dat hij zijn twijfels en onzekerheden in beeld kan brengen met een gevoelige penseeltoets. Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen, en dat is een taal die in gewone romans niet gesproken wordt.

Ook de Nederlandse Gerrie Hondius gebruikt veel lichaamstaal in haar strips. ’Ik ben God’ heet haar laatste stripboek, dat deze zomer verscheen. Op het voorplat zien we een engelachtig wezen met blond wapperend haar en een witte tuniek tegen een wolkenlucht. Ze heeft de armen gespreid en de ogen deemoedig neergeslagen. Zij denkt dat ze God is. Niet omdat het in haar bol is geslagen, maar omdat ze met zichzelf in discussie is over de vraag wat geloven is, hoe je geloven moet en wat je geloven kunt. Dat deed Blaise Pascal in de zeventiende eeuw ook al, en Hondius doet het nu weer: ze zoekt naar zingeving en spiritualiteit, maar liever niet binnen een bestaande kerk.

Vrij zijn en toch ergens bij horen, dat is een bekende spagaat voor de moderne gelovige. „Toen ik nog niet wist dat ik God was, ging ik elke zondag met mijn ouders mee naar de kerk,” schrijft Hondius. Ze vertelt dat Matteüs 6: 25-34 haar favoriete bijbeltekst was. Daarin staat dat je je geen zorgen hoeft te maken, dat je niet hoeft te zaaien en te maaien, omdat God naar je omkijkt.

Helemaal onbezorgd is Hondius toch niet, want de beschermengel met wie ze een liefdesrelatie heeft gekregen wordt op bladzijde 106 met een kettingzaag in stukken gehakt. Houden van God en houden van mannen, dat blijken twee verschillende dingen. Het grote verschil is dat God niets terugzegt en dat de mannen dat wel doen.

Hondius is gereformeerd opgevoed. Op de vraag of ze met de provocerende titel van haar boek nog reacties uit conservatieve hoek heeft losgemaakt, antwoordt ze: „Helemaal niet. Sterker nog, niemand heeft tegengesproken dat ik God ben.”

Wat wilde ze eigenlijk met haar boek bereiken? „Dat men het een geweldig boek vindt, het aan de grote klok hangt, en het aan al zijn vrienden cadeau doet. En in evangelisch opzicht: ik hoop dat mijn kijk op God, het leven en de dingen, lezers inspireert. Misschien om hun blikveld te verruimen, zowel naar buiten als naar binnen. Er is altijd méér mogelijk, en dat is altijd leuker en beter en mooier dan je nu gelooft. Dat geloof ik, tenminste. Als de lezer er om kan schaterlachen is dat ook meegenomen. God moet met humor worden gepromoot.”

Dit artikel verscheen op 5 september 2009 in dagblad Trouw.

 

Geplaatst in Uncategorized