Arie Bleekjes weigert de Zwarte Piet

dozo0006Lekker opportunistisch: je hele marketingplan afstemmen op de controverse rond Zwarte Piet. Auteurs Reid, Geleijnse & Van Tol besloten hun nieuwste Fokke & Sukke, ‘Het afzien van 2016’, in twee edities uit te brengen. De ene helft heeft een Zwarte Piet op de cover, de andere helft een Roetveegpiet. Co-auteur Bastiaan Geleijnse legt uit: ‘Als je een Pietmensch bent, kies je voor de traditionele Piet; zo niet, dan kun je een ‘Afzien’ kopen met een Roetveegpiet erop. We zouden het heel jammer vinden als mensen ons boekje niet zouden kopen vanwege een al dan niet aanstootgevende afbeelding op de voorkant.’

De mannen achter Fokke & Sukke nemen zelf geen stelling in het Pietendebat, maar geven wel toe dat een van de afbeeldingen waaruit je kunt kiezen aanstootgevend is. Een kleine tocht door de stripgeschiedenis leert dat veel tekenaars ‘iets moesten’ met de vraag wat aanstoot geeft wanneer je de gekleurde medemens in beeld brengt.

Stereotypering was tot halverwege de vorige eeuw standaard in de strip. Het wemelde er van de indianen met vredespijpen, eskimo’s in iglo’s en inboorlingen met rieten rokjes. Die clichés waren geen uiting van etnografische bevlogenheid, het ging vooral om snelle karakterisering van de afgebeelde personages. Zo herkende je kapitalisten aan hun dikke sigaren en dieven aan hun zwarte maskertjes, wat misschien iets zegt over de betrekkelijke ongecompliceerdheid van de samenleving toen: de rolverdeling was uitermate overzichtelijk. Anno nu zijn tekenaars zich veel meer bewust van de status van hun stripfiguren en de hardnekkige effecten van beeldvorming.

Detropicalisering

Enkele weken terug overleed de tekenaar Marc Sleen, een van de groten van het Vlaamse beeldverhaal. Hij was onder meer de schepper van Petoetje, een populaire figuur uit de succesreeks Nero. In 1950 debuteerde Petoetje in het verhaal ‘Moea-Papoea’, wat ook de naam is van een eiland in de Stille Zuidzee waar de Amerikanen hun frisdrank Pola Pola proberen te slijten. De zwarte Petoetje heeft dan nog zeer dikke lippen en een rieten rokje, terwijl hij zich bij onraad verstopt in de buidel van een kangoeroe. Maar al in 1955 is hij door het eten van witlof enorm intelligent geworden, nog een jaar later spreekt hij vloeiend Russisch en intussen is ook zijn uiterlijk geëvolueerd: hij draagt een trui en een lange broek, en zijn mond is genormaliseerd. Petoetje krijgt een witte vriendin die Petatje heet en daarmee is zijn integratie voltooid. De politicoloog Ruddy Doom schreef in 2012 het artikel Een slepende ziekte: de Vlaamse kijk op de Congolezen, waarin hij noteert: “Petoetje wordt in de loop der jaren gedetropicaliseerd: hij slaagt met succes voor de inburgeringcursussen en ontwikkelt zich tot een sterdanser van de ‘Doe de petoe’ (het aangeboren gevoel voor ritme, weet je wel). Door skin-lightening en het aanmeten van een bizarre haartooi wordt de bewoner van Papoea een zonnebankvlaming die het strooien rokje inruilt voor hippe tienerkledij.”

Die ‘detropicalisering’ kennen we ook uit onze eigen stripgeschiedenis. Sjors & Sjimmie was een stripduo dat van 1938 tot 1969 werd getekend door Frans Piët en grote faam verwierf onder Nederlandse lezertjes. Sjimmie begon zijn bestaan als Simmy in De avonturen van Wo-Wang & Simmy en was toen nog gekleed in, jawel, een rokje. Naast Sjors verwesterde hij en kreeg hij een kek petje op, maar in zijn oren zaten nog steeds slavenringen en hij praatte zo: “Afrika zo lekker warm zijn! Thuis koud! Brrrr!” Ook dat spraakgebrek was toen een topos uit de strip, zie de zwarte kok uit Roodbaard (“Ik ga een g’ote  p’uimentaa’t bakken”) en de al genoemde Congoleesje van Hergé (“Jij niet zoet, jij nooit als Kuifje wordt!”). Maar in de jaren zeventig emancipeerde Sjimmie vlot, om te beginnen via de tekenaar Jan Kruis. Op 13 november 2014 wijdde het programma Andere tijden een uitzending aan dit onderwerp en Jan Kruis zei daarin: “We hebben een soort brainstorm belegd met een aantal tekenaars over hoe de strip aan te passen aan de tijd. Het was de tijdgeest waar ik in zat. Ik heb van wildeman Sjimmie een gewoon Surinaams jongetje gemaakt, zoals je dat op straat tegenkwam.” Desgevraagd voegt hij daar nu een nuance aan toe: “Het was niet hot, dat onderwerp. Ik maakte er een jongetje van zoals je die toen op straat kon tegenkomen, met kroeshaar en een spijkerbroek. Verder heb ik er niet over nagedacht, ik wist niet dat het een punt van discussie zou worden. Bij mijn voorganger Frans Piët was Sjors nog superieur aan Sjimmie, dat heb ik bewust weggelaten, bij mij waren ze totaal gelijkwaardig.”

Vanaf 1975 kwam Sjimmie in handen van Robert van der Kroft, die samen met de scenaristen Wilbert Plijnaar en Jan van Die het trio de Wiroja’s vormde. Hun Sjimmie is volledig vernederlandst en was een afspiegeling van de jongeren die ze op straat zagen. Van der Kroft:  “Wij, de Wiroja’s, hebben nooit onderscheid tussen Sjors of Sjimmie gemaakt. Omdat wij middenin Rotterdam woonden en onze eigen dicht-bij-huis-verhalen schreven, ontwikkelden Sjors en Sjimmie zich in de verhalen tot twee moderne, multiculturele hiphop-jongens. Op hun kleding en haardracht na zijn ze volkomen identiek en inwisselbaar. Na het tekenen wordt de één bruin ingekleurd, de ander roze. Daarom werden wij al in de jaren tachtig door de Rotterdamse Anti-discriminatieraad Radar naar voren geschoven als voorbeeld hoe met ras-, huid-, kleurverschillen om te gaan.” Tot en met het inkten zijn de jongens dus rasneutraal, pas na de inkleuring is verschil te zien, wat een mooie metafoor is voor het rassenprobleem als zodanig.

Van de Sjors en Sjimmie-albums zijn er tot 2004 bijna twee miljoen verkocht, inclusief de herdrukken, de andere striphit van de Wiroja’s is Claire en die gaat ook al richting een miljoen exemplaren. Een belangrijke rol in Claire is weggelegd voor de zwarte bokser Ricky (met een knipoog naar Stallone’s Rocky). Hoe is Ricky ontstaan? Van der Kroft: “In het eerste album van Claire had ze om de paar pagina’s een ander vriendje. Totdat ze in album 2 Ricky tegenkwam. Dat bleek ware liefde. Hij is het stereotype van een sterke stoere hunk, die weinig van vrouwen begrijpt, maar wel zijn best doet. Dat hij niet roze is ingekleurd is puur toeval. Onze inkleurster destijds had een donker vriendje, grootste kans dat zíj heeft verzonnen Ricky donker in te kleuren. Ik weet het eerlijk gezegd niet meer. Het multiculturele aspect is in ieder geval niet gepland, wel een leuke toevoeging. Net als bij Sjors en Sjimmie hebben we ons nooit speciaal met kleurverschillen beziggehouden.”

Bleekjes

Stripfiguren evolueren mee met het maatschappelijk debat, maar als het om Zwarte Piet gaat hebben tekenaars, dwangmatige parodisten, zo hun eigen benadering: niet te serieus. In Mark Retera’s humorstrip Dirkjan komt een aflevering voor waarin leraar Van Druten, bekend kinderhater, zich heeft vermomd als Zwarte Piet. Net wanneer de leerlingen zingen “Sinterklaasje komt maar binnen met je knecht, want w-” stormt hij het lokaal binnen, mept een paar kids met zijn roe, gooit ze in de zak, doet er wat bakstenen bij en dumpt het geheel in de gracht. Schooldirecteur Hendriks zegt droog: “Van Druten houdt er een ouderwets beeld van Zwarte Piet op na.” Tekenaar Peter de Wit is in Sigmund iets sentimenteler. Bij hem ligt Piet luid te janken op de bank van de psychiater: “Ik mag de kinderen niet meer zien!” Boehoe. Zelfs Sigmund pinkt een traantje weg.

Netzomin als de Fokke & Sukke-auteurs nemen Retera en De Wit stelling in het debat, liever geven ze er een flinke draai aan: Van Druten is als Piet geen kindervriend maar -hater, bij Sigmund is Piet juist ontroostbaar vanwege het naderende afscheid. Door Piet een compleet andere rol te geven dan in het debat normaal is (ongecompliceerde grapjas dan wel slavernij-slachtoffer) gaan ze met een elegante slinger om de discussie heen. Maar er is ook een tekenaar die er bovenop duikt. Gerrit de Jager maakte dertig jaar (!) geleden al grappen over het Sinterklaasfeest en de frictie tussen echte en onechte zwarten. Twee karakters uit De Jagers befaamde stripserie De Familie Doorzon zijn de pekzwarte Surinaamse broers Kees en Arie Bleekjes. In het album Dozo uit 1986 weigert Arie Bleekjes de Zwarte Pieten-rol (“Je denkt toch niet dat ik voor knecht ga spelen, hè!?”), terwijl dochter des huizes Doortje juist wel eens Sinterklaas wil zijn. Eind van het verhaal is dat zij haar eigen Arie berijdt alsof hij de schimmel is, en dat bleek ook weer niet goed. De Jager: “Ik moest in het programma ‘Bij Lobith’ op de VPRO-televisie komen verantwoorden waarom Arie het paard was. Daar kon ik toen nog om lachen, maar het debat is nu zoveel heftiger geworden. Je moet als je zoiets uitbrengt echt klaar zijn voor wat je allemaal over je heen krijgt. Ik vraag me wel af of we zoveel correcter zijn geworden… Ik maak Doorzon nu niet meer, maar ik zie in vergelijkbare strips nog steeds dezelfde ‘zwarte mensen’ voorbij komen, hoor. Maar in mijn strips werd niemand gediscrimineerd, want ALLE figuren waren uitvergrote stereotiepe idioten.”

De zwarte humor van De Jager was bijna herdrukt in het album Zwarte Piet voor de Familie Doorzon. Maar het boek is er niet gekomen. De Jager legt uit waarom niet: “Ik had het vorig jaar bijna klaar en had er hard aan gewerkt om het op tijd in de winkel te krijgen, tot ik ontdekte dat uitgeverij Strip2000 de afspraken over de distributie niet na ging komen. Vlak voor een pittig gesprek daarover overleed de uitgever Peter van der Heijden. Ik was toen zo uit het veld geslagen, dat ik het hele project heb afgeblazen. “

Dit artikel stond op 3 december in het Haarlems Dagblad en in vier andere edities van HDC Mdia.

Geplaatst in Uncategorized