Het laatste sacrament

oomgerardbeeldOom Gerard was 76 jaar oud toen ik voor het eerst bij hem ging logeren. In 1970. Makkelijk om te onthouden, want in dat jaar vond het wereldkampioenschap voetbal in Mexico plaats en de wedstrijden werden bij ons laat op de avond uitgezonden. Hoewel ik pas dertien was kon ik alle wedstrijden zien omdat bejaarde oom dacht dat ik ouder was. Sterker: hij schonk sherry met 7Up voor me in en trok sigaretten uit zijn antieke ladekast. Na afloop – bijvoorbeeld van El Salvador tegen de Sovjet-Unie – gingen we naar boven waar we samen sliepen in een houten bed, onder een ingelijste foto van Fientje die op haar vierde was gestikt in haar eigen tong. Ik vond dat eng en zielig, maar nog veel zieliger was dat oom Gerard iedere dinsdag van Hoevelaken naar Katwijk ging om zijn demente vrouw te bezoeken, die iedere dinsdag weer over Fientje begon en na een half uur aan Gerard vroeg of hij Gerard nog weleens zag.

Tijdens de logeerpartijen was ik af en toe alleen in huis, wanneer oom Gerard boodschappen ging doen. Dan viste ik De Lach uit zijn leesmap (‘Het blad voor de man van nu’) en bekeek trillend de plaatjes, elke vijf seconden naar het raam turend of hij alweer terugkwam. Samen met de sherry en de filterloze sigaretten gaf dit tijdschrift mij een voorsmaak van het puberale leven dat pas drie jaar later zou beginnen, maar nog veel belangrijker (zeg ik nu, over mijn schouder terugblikkend) waren onze lange fietstochten. Oom Gerard bezat een zwart herenrijwiel met bleke banden en had ook voor mij iets geregeld, zodat we samen door de weilanden naar Nijkerk en Barneveld konden rijden, waar meer kippen dan mensen woonden. Dat feitje maakte indruk, evenals het fietsen van horizon naar horizon, langs duizendblad en populieren: een leven lang ben ik op het zadel blijven klimmen om die ervaring te herhalen.

Het huis waar oom Gerard woonde was in mijn ogen tamelijk sjiek, omdat de woning van de burgemeester van Hoevelaken (witgeschilderd, rieten dak, garage) ertegenover stond. Als je dertien bent is een notabele nog notabel. Lang heb ik gedacht dat oom Gerard zelf ook burgemeester was geweest, van het illegale soort. In Leiden, waar onze hele deutsch angehauchte familie vandaan kwam, zou hij als vooraanstaand NSB-er plaatsvervangend burgervader zijn geweest. ‘NSB’er, landverrader, Baantjes-jager, huichelaar/Hielenlikker van den vijand, lijkenschender, leugenaar’, zoals het spotrijm luidt dat ooit voor Rost van Tonningen is geschreven. Toen ik ouder werd, bleek dat verhaal apocrief te zijn: wel geheuld met de vijand, geen hoge post bekleed. Er waren meer verzinsels. Oom Gerard heeft ooit een familiegeschiedenis van de Pollmannen geschreven die hij liet beginnen in het Teutoburgerwald. Kennelijk vond hij Noordrijn-Westfalen, waar we in werkelijkheid vandaan komen, niet Teutoons en romantisch genoeg. Een fantast dus. De echte oom Gerard was een frêle man met wit haar, bril en hoog opgetrokken Terlenka-pantalon, die er trots op was dat hij nog zijn eigen aardappelen schilde.

Toen ik eind twintig was werd ik opgebeld met de vraag of ik het toedienen van het Heilig Oliesel aan de stervende Gerard Joseph Pollmann wilde bijwonen, ik was immers pas nog bij hem geweest? Ja, dat wilde ik wel, maar ik was niet onlangs bij hem geweest. Tijd en plaats werden mij meegedeeld en op een lente-achtige zaterdagmiddag nam ik de lift naar een flat ergens in Oegstgeest. Van het uitzicht herinner ik mij alleen dat we omringd waren door wolken. Oom Gerard lag in een ledikant van wit metaal. Zijn huid was gelig en hij verzuchtte dat hij moe was, heel erg moe. Behalve mijzelf, een verpleegster en de priester die het Heilig Oliesel zou toedienen, waren er nog vier mensen, die me niet bekend voorkwamen. Er was een vrouw bij die een cadeau voor de stervende had meegenomen: een fles Hongaarse stierenbloedwijn, met een franje van crêpepapier (rood-wit-groen) om de loden huls. De onbekenden wilden graag dat ik de ereplaats zou krijgen, zijnde de stoel naast het ledikant, want ik had oom Gerard tenslotte pas nog opgezocht. Ik!? Wat? Ach nee, ze verwarden mij met mijn oudste broer, die inderdaad contact met de patiënt had gezocht. De ereplaats zat nu niet lekker meer, maar er gebeurde iets waardoor men mij meteen vergat. Oom Gerard moest plassen. Zonder enige piëteit schoof de verpleegster laken en pyjamabroek naar beneden, en onthulde het hoogbejaarde geslachtsdeel van oom, lang, slap en geelgrijs. De vrouw van het stierenbloed keek er gretig naar, de nek ver uitgestoken. “Sorry, mensen…” waren Gerard Josephs laatste woorden voordat de priester even later prevelend de olie tevoorschijn haalde en ogen, oren, neus, mond en handen van de stervende zalfde. Hiermee waren alle zonden vergeven.

Illustratie: Paul van der Steen. Deze tekst is gepubliceerd in Tijdschrift voor biografie, jaargang 5, nr. 1.

Geplaatst in Beeldcultuur
Categorieën
Spring naar werkbalk