Het gemak van de boerka

zoekBegin 2013 publiceerde ik op verzoek van het Instituut voor Maatschappelijke Verbeelding* een studie over het beeld van moslims in cartoons gedurende de afgelopen twee decennia. Ik maakte  gebruik van een aantal bronnen: een verzameling cartoons die in de periode 2001 tot 2013 uit kranten zijn geknipt, vooral uit NRC Handelsblad en de Volkskrant; twintig jaargangen van de cartoonbundels Politiek in Prent onder redactie van Hans IJsselstein Mulder (van 1993 tot en met 2012); en een breed, digitaal overzicht van jongere cartoonisten die vooral op internet publiceren. De vraag die bij de bestudering van deze bronnen moest worden beantwoord, luidt: hoe heeft het beeld van de moslim in de Nederlandse pers zich in het afgelopen decennium ontwikkeld? Een verkorte versie van mijn studie vindt u hieronder.

“Een politieke cartoon is een illustratie die commentaar geeft op actuele situaties of personen. In cartoons worden artistieke vaardigheid, overdrijving en satire gecombineerd om het gezag te tarten en aandacht te vragen voor sociale misstanden.” Zo luidt in vertaling de definitie die Christopher Sterling geeft in zijn Encyclopedia of Journalism uit 2009. Kenmerkend voor de politieke cartoon is het veelvuldig gebruik van symbolen zoals vredesduiven, vlaggen, medailles op het tenue van de machthebber of hoge hoeden op het hoofd van de kapitalist. Als je nu bladert door de cartoons die in de Eerste Wereldoorlog zijn geproduceerd (miljoenen exemplaren, volgens Paul Van Damme in het boek Vriend over Vijand), valt op dat het gecompliceerde verhaal van deze oorlog werd gereduceerd tot een stenoschrift van symbolen: John Bull als vertegenwoordiger van het Britse rijk, de Beer die verwijst naar Rusland, Turkije als de Zieke Man van Europa, et cetera. In die reductie schuilt ook meteen het gevaar van de politieke cartoon, die niet alleen overdrijft, zoals Sterling zegt, maar vooral ook simplificeert met behulp van clichés, stereotypen en schablonen. De cartoon wil een politieke waarheid onthullen, snel communiceren én een glimlach op het gelaat van de lezer toveren. Genuanceerd de zaken weergeven is geen prioriteit van de politieke cartoonist. Hij – en in veel mindere mate een zij – wil scoren.

De politieke cartoon is dan ook méér dan onschuldige inkt op papier of dito pixels op een beeldscherm. Een tekening kan dodelijk zijn, weten we inmiddels. De oorlog tussen Joden en Palestijnen wordt bijvoorbeeld óók gevoerd met cartoons, getuige de duizenden voorbeelden die te vinden zijn op sites als Politicalcartoons.com, Cartoonistgroup.com, Mideasttruth.com/cartoons.html en Wittyworld.com/editorial-political/middle.east.html. Verreweg de meeste van deze cartoons zijn tegen Israël gericht en vaak zo grof dat Joël Kotek er een boek aan heeft gewijd: Cartoons and Extremism – Israel and Jews in Arab and Western Media waarin hij met hulp van 400 karikaturen de ‘antisemyths’ analyseert. Zoals de Israëli’s grootschalig te grazen worden genomen in de Arabische pers, zo worden moslims massaal voor schut gezet in de westerse pers: er zit een zekere symmetrie in deze cartoon-fronten.

 De Ander heeft geen waterleiding

A is for Arab – Archiving stereotypes in U.S. popular culture is een boekje van New York University dat eer betoont aan professor Jack Shaheen, Amerikaan van Libanese afkomst, die al sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw bezig is met het archiveren van negatieve stereotyperingen van Arabieren in films, games, strips, reclame-uitingen en andere vormen van beeldcultuur. In de documentaire Reel Arabs: How Hollywood Vilifies a People (2006) komt Shaheens onderzoek naar ruim duizend speelfilms aan de orde; hij constateert dat al aan het eind van de 19e eeuw de eerste beelden opduiken van moordlustige en op blanke meisjes beluste sjeiks. In eindeloze variaties op dit thema hebben westerlingen sindsdien hun wantrouwen jegens het Midden-Oosten en zijn bewoners kenbaar gemaakt. Shaheen merkt op dat Arabieren bepaald niet de enigen zijn die dit lot beschoren is, ook mensen met een gele, rode of zwarte huid moeten het stelselmatig ontgelden: “The Other dwells in a primitive land without indoor plumbing. Africans in jungle huts, Asians and Latinos in shacks, Arabs and Native Americans in deserts or plain tents.” Je kunt de blanke superioriteit zo samenvatten: de Ander heeft lage lusten, maar geen waterleiding.

Het is belangrijk om op te merken dat het bij bovengenoemde vormen van oriëntalistische vooringenomenheid niet gaat over moslims, maar over Arabieren. Niet het geloof is wat deze mensen kenmerkt, maar hun vliegend tapijt en wonderdoende olielamp, en later: hun oliedollars en hun zonnenbrillen. In Nederland is dezelfde ontwikkeling waar te nemen. Vóór de aanslag op het World Trade Center waren personen met een Saoedisch uiterlijk (hoofddoek en sik) of Noordafrikaans uiterlijk (snor, gebreid mutsje) ook al aanwezig in ‘onze’ cartoons, maar of ze weleens een moskee bezochten was irrelevant. Als er in de jaren negentig problemen waren met buitenlanders, asielzoekers en allochtonen, hadden die te maken met het strenger wordende toelatingsbeleid van de overheid. Tekenaars brachten die frictie in beeld. Het Palestijns-Israëlische conflict leverde veel cartoons op van mannen met karabijn en keffiyeh, maar die woonden aan gene zijde van de Middellandse Zee en niet in een Hollandse achterstandswijk. Hun religie deed niet ter zake en wij waren er niet bang voor. In 1993 tekende Tom Janssen voor de Geassocieerde Pers Diensten een cartoon over twee allochtonen, van wie er één schaatsen om zijn nek heeft hangen. Hij zegt: “Ik kan het óók niet, maar met die dingen om je nek zeurt niemand meer om je verblijfsvergunning..!”

Een jaar later publiceerde Stefan Verwey in De Gelderlander (op 17 september 1994 ) een cartoon waarin de oma resp. de wolf tegen Roodkapje zegt: “En mag Roodkapje dat hoofddoekje ook op school dragen?” Aanleiding was het wegsturen van een meisje uit Mavo 3 van het Baandertcollege in Heemskerk omdat ze een hoofddoekje droeg. Op 9 september 1994 publiceerde Trouw daarover een artikel met de kop ‘School stuurt meisje naar huis wegens dragen hoofddoekje’, maar de woorden ‘moslim’ of ‘islam’ werden niet één keer gebruikt. In de jaren negentig zaten hoofddoekjes in cartoons meestal om de kapsels van arme huisvrouwen in Rusland, die gebukt gingen onder Jeltsins economisch beleid. Het ‘kopvod’ was nog iets uit de toekomst.

Twaalf thema’s

Bij het bestuderen van circa 400 verzamelde cartoons uit de periode 1993-2013 komt een twaalftal thema’s bovendrijven. Dit zijn in volgorde van populariteit bij de tekenaars:

Boerka/Hoofddoekjes

Dynamiet/Terrorisme

Intolerantie/Cartoonrellen

Klederdrachten als metafoor voor culturele integratie

Allochtonen/Asielzoekers

1001 Nacht: oriëntalisme

Onderdrukking van de vrouw

Koran

Fitna/Submission

Moslim-humor

Marokki’s

Geitenneukers

Kwantitatief wordt de themalijst dus aangevoerd door de boerka’s resp. hoofddoekjes, niet in het minst doordat tekenaar Peter de Wit in de Volkskrant regelmatig zwaar gesluierde dames opvoert met een boodschappentas van supermarktketen Dirk, en de grappen hierover heeft gebundeld in twee aparte uitgaven: Burka babes (Uitgeverij De Harmonie, 2007) en Polderburka’s (Uitgeverij De Harmonie, 2010).  Aan de boerka/burka als thema kleven een paar duidelijke voordelen voor cartoonisten: geen enkel kledingstuk drukt sneller de onderdanige positie van de vrouw binnen de islamitische samenleving uit; mensen tekenen is moeilijk, maar mensen tekenen in een boerka is makkelijk; omdat je niet kunt zien wat eronder gebeurt, zijn er veel grappen te bedenken, bijvoorbeeld over sexy lingerie onder de boerka of over een man die doet of hij een vrouw is maar zich door zijn erectie (uitstulping in gewaad) verraadt; de vorm van de boerka doet tekenaars denken aan allerlei andere dingen, zoals peper- en zoutvat (Willem:1997), vuilniszak (AAargh: 2008), flessenbak (Lectrr: 2006), matrushka-pop (TRIK, 2007) en spookgewaad (Cookiecartoons: 2011). Doordat de boerka van alles verhult, zeker niet alleen het lichaam van de vrouw eronder, sluit hij thematisch aan op een veel ouder oriëntalistisch thema, namelijk dat van de argwaan jegens de sluwe Arabier die iets in zijn schild voert. AAargh tekende in 2009 een cartoon onder de titel ‘Angst voor aanslagen’. Een zwetende man wijst naar een touwtje dat onder de boerka van een vrouw naast hem tevoorschijn komt en zegt: “Een lont!” Een tweede boerkadraagster zegt tegen dezelfde vrouw, wijzend naar het touwtje: “Pst… je tampon.”

De enkelvoudige vorm van de boerka maakt hem geschikt om dienst te doen als pars pro toto: dit radicale, monolithische kledingstuk vertegenwoordigt de gehele islam zoals wij er vanuit het westen naar kijken, als een onderdrukkend, intolerant geloof. Wie een cartoon over een vrouw in een boerka tekent, oefent meestal kritiek uit op dat systeem. Maar de hijab, chador en niqab, drie andere kledingstukken om het lichaam of een gedeelte daarvan te bedekken, komen niet aan bod en daarmee blijven etnische of emancipatorische verschillen binnen de islamitische wereld die met deze kledingstukken samenhangen eveneens buiten beeld. Voor zover een cartoon aan kennisoverdracht kan doen, schiet hij hier tekort, met consequenties voor onze waarneming en duiding van de islam. Op 15 januari 2009 schreef Fouad Laroui, bekend van zijn kritische boek Over het islamisme, een artikel in De Volkskrant onder de kop ‘Ik eis mijzelf terug’ waarin hij zich ergert aan het ongenuanceerde wij-en-zij-denken dat geen recht doet aan het individu. “Het is alsof achter elke ‘moslim’, die eigenlijk niets meer is dan een soort pop, één van die onheilbrengende baard-barbaren in een djellaba schuilgaat, de imam!, klaar om aan de touwtjes te trekken.” Hierbij stond een illustratie van Mike Ottink die links een naakte man afbeeldde, met rechts daarvan twee mogelijke garderobes: één bestaand uit pantalon, colbert en stropdas, de ander bestaand uit djellaba en keffiyeh. Wil de echte moslim opstaan?

Het hoofddoekje is minder beladen dan de boerka, maar schept ook meer verwarring. Nadat Geert Wilders tijdens de algemene beschouwingen van 2009 had opgeroepen tot het invoeren van een ‘kopvoddentax’, verscheen in NRC Handelsblad (17 september 2009) een cartoon van Reid, Geleijnse & Van Tol onder de titel ‘Fokke & Sukke voelen zich diep gegriefd’. Op de bank zien we twee doodzieke vogeltjes zitten die hun chemohoofden hebben bedekt. Ze klagen: “Wat heeft die Wilders toch… …tegen kankerpatiënten?” Het ene hoofddoekje is het andere niet. Waar de boerka staat voor onderdrukking, staat de hoofddoek (beter gezegd: de hijab) voor trots en eigenheid. Ga in Amsterdam boodschappen doen in een supermarkt en kijk naar de meiden achter de kassa’s: dat zijn geen onmondige slaven. “Zes op de tien Nederlandse moslima’s in de leeftijd van 15 tot 35 jaar- zo’n 80.000 jonge vrouwen – draagt tegenwoordig een hoofddoek. Niet door onderdrukking, maar juist als onderdeel van hun identiteit. Dit blijkt uit een landelijk onderzoek door Motivaction onder ruim 1500 jonge vrouwen.” Aldus De Telegraaf op 18 november 2011.

Dat de hoofddoek zeker geen ‘vies kopvod’ is (deze term is al in 2002 door het Stormfront gemunt), blijkt alleen al uit het gegeven dat het een steeds modieuzer artikel wordt. “Zo is 75% van de hoofddoekdraagsters de afgelopen jaren meer gekleurde en veelkleurige hoofddoeken gaan dragen, nauwkeurig afgestemd op hun outfit. Toch is de hoofddoek niet primair een fashion statement: het is vooral een uiting van het geloof (66%) en onderdeel van identiteit (41%). Een op de drie respondenten (32%) ziet de doek daarnaast nadrukkelijk als mode-item of als een van haar sieraden (26%).”

Het onderzoek van Motivaction verscheen ter gelegenheid van de publicatie van Het Hoofdboek, waarin één model (Boutaïna Azzabi) honderd hoofddoeken showde om de schoonheid en diversiteit ervan te tonen. Een jaar later voerde Motivaction een herhalingsonderzoek uit en concludeerde onder meer: “Meer dan 60% van de Nederlanders vindt het dan ook een logische ontwikkeling dat een oer-Hollandse winkel als HEMA eindelijk hoofddoeken heeft opgenomen in het assortiment. De hoofddoek lijkt hiermee volledig te zijn ingeburgerd in Nederland.”

Nog één observatie lijkt mij hier op z’n plaats: uit de grote hoeveelheid cartoons waarin een boerka voorkomt, zou je kunnen concluderen dat de tekenaars zeer begaan zijn met het lot van de vrouw in de Arabische wereld. Maar de vrouwen onder de boerka zijn onzichtbaar en het percentage cartoons dat binnen het hier beschreven imagologisch domein over moslima’s gaat, is verrassend klein. Al die cartoons gaan dan ook niet zozeer over solidariteit met de Arabische vrouw, maar over weerzin jegens de Arabische man. Dat zijn twee verschillende dingen.

Een opgeblazen gevoel

De moslim als zelfmoordterrorist is in het vorige decennium een populair thema bij cartoonisten geworden:  een man (meestal) met een gordel van dynamietstaven om zijn middel staat op het punt zichzelf op te blazen, een offer dat beloond wordt met 72 hemelse maagden. In 1983 pleegde Hezbollah de eerste officiële zelfmoord-aanslag op de Amerikaanse ambassade in Beiroet, sindsdien zijn er wereldwijd vele duizenden slachtoffers gevallen, vooral door het gebruik van autobommen. “The statistic shows the average number of civilian deaths per day by car bombs and suicide attacks in Iraq war from 2003 to 2013. As of January 19, 2013, there were an average of 6.4 civilian deaths per day caused by suicide attacks and car bombs in 2013.”

Dit voorbeeld uit Irak alleen al geeft het epidemische effect van het verschijnsel aan en het is daarom niet verwonderlijk dat moslim + dynamiet in de politieke cartoon zo vaak samengaan. Een relatief vroeg voorbeeld van deze thematiek vinden we bij Bernard Holtrop aka Willem, die op 19 maart 1996 een cartoon in Libération plaatste waarop we een klasje donkerharige jongens zien die naar een affiche van een ontploffende man kijken. ‘Kamikaze’ staat eronder, wat Japans is voor ‘zelfmoordactie’. “Niet heel ingewikkeld,” zegt de leraar. En erboven staat: ‘Orientation professionelle pour jeunes Palestiens’. Belangrijk is dat het in dit stadium nog ging over Palestijnen als zelfmoordterroristen, en niet om moslims. Het gedateerde woord ‘kamikaze’ is sindsdien niet meer vernomen.

Enkele jaren later was de met explosieven behangen Arabier al picturaal gemeengoed geworden. Nozzman tekende in 2003 een variatie op het spelprogramma Wie van de 3, waarbij een man in kaftan een ontstekingsmechanisme aanzet dat de dood van één van drie uitverkoren zelfmoordterroristen zal veroorzaken. Waarschijnlijk zullen de buurmannen de klap ook niet overleven, maar dat is hier een deel van de boodschap: zo belangrijk zijn deze levens niet. De titel van de cartoon luidt: ‘Wie van de drie in Palestina’. De angst voor terroristen in het metrostation op de hoek (Londen, Madrid), liet kennelijk nog op zich wachten. In 2012 publiceerde The New York Post een cartoon van Sean Delonas waarin Arabische terroristen vanuit een Amerikaanse hotelkamer snode plannen met explosieven smeden: hier is het gevaar juist vlakbij.

Beeldend kunstenaar Harma Heikens heeft als een van de weinigen een jonge Arabische vrouw als zelfmoordterrorist uitgebeeld: haar beeldje The Virgin uit 2013 toont een meisje in nijab dat met beide handen het V-teken maakt, ofschoon er om haar middel wel degelijk explosieven zijn aangebracht. De dubbelzinnigheid van deze boodschap is geen toeval: apologeten roepen dat de islam een vredelievende godsdienst is, maar het publiek ziet iets heel anders. Islam en terrorisme zijn elkaar in de beeldvorming zo dicht genaderd dat er bijna sprake is van synonimiteit, en dat vind je terug in cartoons en strips. De Verborgen geschiedenis is een populaire, uit het Frans vertaalde stripreeks, waarvan het 21ste deel over moslims gaat. Het heet De Mahdi en toont op de cover een moslimstrijder met karabijn, keffiyeh en gebalde vuist, terwijl op de achtergrond duizenden pelgrims rond de ka’aba in Mekka zwermen. Opmerkelijk genoeg verwijst deze voorplaat niet naar een scène binnenin het album, waaruit je mag concluderen dat het hier om een marketingtruc gaat. Islam sells, zolang je het agressieve gehalte ervan maar benadrukt. In Amerika wordt de website www.comicbookreligion.com gemaakt, die nauwkeurig bijhoudt welke religies en gezindten in stripverhalen voorkomen. Zoek je bij islam, dan stuit je op een interessant resultaat: de site onderscheidt 65 Muslim Heroes en 118 Muslim Villains. Een van de daarbij getoonde stripfragmenten komt uit Captain Miracle, waarin ene Sodom Al-Mohammed te grazen wordt genomen door een hoogblonde ariër. In die duivelse mohammedaan herkennen wij Osama bin Laden.

Dat het beeld van de militante moslim een meme is, blijkt ook uit een tekening van Jasper Rietman (2013) waarop een zwaarbewapende jihadist op een vliegend tapijt voor een venster met arabesken is afgebeeld. Rietman maakte deze tekening niet in opdracht, maar voor zichzelf, omdat hij het een sterk beeld vond; als vanzelfsprekend combineerde hij jihadistische en oriëntalistische motieven. Toen de Stripdagen Haarlem in 2012 aan Peter van Dongen de opdracht gaven het Arabisch thema in het festival-affiche te verwerken, werd hem verzocht op te passen met stereotypering. Van Dongen loste dat als volgt op: hij beeldde een Arabier op een vliegend tapijt af en voegde er zelfs een waterpijp aan toe, maar verving zijn karabijn door een tekenkoker. Op twee andere tapijten vliegen Hollanders in klederdracht, een vermenging van culturele clichés die als beeld van de integratie een zelfstandig thema zijn gaan vormen.

Integratie = gelijk oversteken

Volendam kust Casablanca. Dat zie je op het Delftsblauwe tegeltje dat Ien van Laanen in 2010 ontwierp als illustratie bij de artikelenreeks ‘Der Nederlanden’ in de Volkskrant, geschreven door Wilma de Rek en Bert Wagendorp. Het is een iconisch plaatje geworden, maar niet door Ien van Laanen zelf bedacht. Al in 2006 (op 12/3) publiceerde Milo in NRC Handelsblad precies hetzelfde beeld bij het artikel ‘Naar een verlichte islam in Nederland’. Alleen draagt het kussende jongetje bij hem een fez en bij Van Laanen een taqiyah (mutsje). Milo tekende ook een klomp met daarop Arabisch schrift en een trapgevel met Moorse poort. Kortom: hij vermengde culturele clichés om de integratie te verbeelden. Hiervan zijn in het afgelopen decennium veel voorbeelden te geven. Frits Müller tekende voor NRC Handelsblad op 27 september 2003 de cartoon Inburgering, met een in Volendamse klederdracht gestoken man die ook een snor, een tulband en een kromzwaard draagt. Naast hem staat een vrouw in Zeeuws kostuum, maar dan wel met een doek voor haar mond én ze zit aan de ketting. In de hemel hang een sikkelvormig maantje… Van gelijk oversteken is hier bij nader inzien dus geen sprake. Op 6 november 2004 stond in het Dagblad van het Noorden ook al een cartoon over inburgering, getekend door Pluis (pseudoniem van Eric Peter van der Wal), die een Arabier met klompen en Zeeuwse muts op een akker zaad laat uitstrooien als verplicht onderdeel van een inburgeringscursus. Maar wat zaait hij: ‘Jihaat’. Weer is er geen kans op toenadering.

Twee jaar later (op 26 september 2006) tekende Tom Janssen voor Trouw de cartoon ‘In dialoog blijven’, waarin een imam vanuit zijn minaret kletst met een bisschop vanaf zijn kerktoren. “Lekker weertje toch?” zegt de imam. “Zeg dat wel!”antwoordt de bisschop. Soms is small talk een hoge vorm van welsprekendheid. Olivia Ettema maakte voor diezelfde krant (5 april 2008) een omslagillustratie voor het artikel ‘De kalmte van de poldermoslim’, waar een moslim (baard, muts) met een kruiwagen door een groen weidelandschap loopt. Onderwerp van het artikel was de kalmte waarmee Nederlandse moslims op de film Fitna hadden gereageerd. Janssen en Ettema drukken dus wel een normalisering van de relaties uit. Op 19 september 2008 liet Wolfgang Hammer in NRC Handelsblad een Zeeuwse en een Arabische samen de waterpijp lurken en in de rook die de pijp uitstoot wordt het ban-de-bom-teken zichtbaar. Samen komen we verder, wil hij zeggen. Laatste voorbeeld: Barbara Stok maakte een beeldcolumn voor cultureel centrum De Buren in Brussel (1 februari 2010). Ze tekende een vrouw met hoofddoek, kleuter en boodschappen, met op de achtergrond een kerktoren, én ze tekende een vrouw met blond haar, kleuter en boodschappentas, met op de achtergrond een minaret. Titel: ‘Zoek de verschillen’.

Je kunt uit deze beelden, die alle gewijd zijn aan (pogingen tot) inburgering, verschillende dingen halen. Ten eerste dat culturele identiteit blijkbaar alleen via attributen is uit te drukken, via de buitenkant dus, hoewel je hierbij de kanttekening moet maken dat tekenaars wat gemakzuchtig gebruik maken van kant en klare symbolen. Ten tweede is integratie blijkbaar een ruil: ik lever iets in als jij ook iets inlevert, want alleen als we gelijk oversteken komen we tot elkaar. Er zit iets angstvalligs in dit schaakspel, omdat vertrouwen in de oprechtheid van elkaars motieven kennelijk ontbreekt. Ten derde blijven de partijen in alle genoemde cartoons ondanks de toenaderingen zover mogelijk van elkaar vandaan: de kussende kinderen van Van Laanen resp. Milo staan met de handen achter de rug voorovergebogen, zodat enkel de lipjes elkaar raken. Een innige omhelzing kun je dat niet noemen.

*www.maatschappelijkeverbeelding.nl/inhoudsopgave/essay/moslims-in-cartoons.html. Zie ook de bijbehorende ‘beeldformaties’ daaronder!

Geplaatst in Beeldcultuur