Een verhaal over liefde en verlies, daar kan iedereen wat mee

Rouwverwerking in strips

Het Einde. Een treffender titel valt niet te bedenken als je een boek wil maken over verlies, verandering en verlamming van je levenswil. Weduwnaar Anders Nilsen schrijft in ‘The End’: “Sinds jij er niet meer bent, kan ik doen wat ik wil, de hele tijd.” En aangezien zijn boek een stripboek is,
krijgen we daar ook plaatjes van te zien, met de volgende bijschriften: “Ik huilend, terwijl ik de afwas doe. Ik huilend, terwijl ik probeer te lunchen en te lezen. Ik huilend, terwijl ik op de computer probeer te werken.”
Mooie, aandoenlijke tekeningen van een man die zijn gezicht begraaft in zijn handen. Twee jaar eerder publiceerde Nilsen een ander boek, nadat zijn vriendin Cheryl Weaver op veel te jonge leeftijd was gestorven aan lymfekanker. ‘Don’t go where I can’t follow’ heette die poging tot rouwverwerking, waarin strips, foto’s en dagboekaantekeningen waren verzameld. Over dat (uitverkochte) boek schreef Nilsen later: “Het verhaal is uiteraard heel persoonlijk, maar ik
denk niet dat het exclusief is. Ook al voelt het als iets dat helemaal van mij is, het gaat toch gewoon over liefde en verlies. En daar kan iedereen wat mee.”

Meemaken dat mensen in je naaste omgeving overlijden, is onvermijdelijk. Het verdriet ook, maar het werkt verlichtend als je merkt dat andere mensen jouw verdriet herkennen. Als ze ook nog eens een vorm hebben gevonden om
dat verdriet in te gieten (een film, een gedicht, een popsong), kan dat troostend zijn. Sinds enige tijd bewijst de stripwereld dat ook een getekend relaas therapeutisch kan zijn voor de maker en de lezer, en verassend veel ‘rouwverwerkingsstrips’ komen uit het Nederlandse taalgebied. Gerrie Hondius tekende in ‘Pindakaas’de dood van haar moeder van zich af, Barbara Stok verwerkte het onverwachte sterven van haar zwager in ‘Dan maak je maar zin’. De Vlaamse tekenaar Willy Linthout (1953) spant de kroon met zijn cyclus ‘Jaren van de olifant’ waarmee hij in het reine probeert te komen met de zelfdoding van zijn zoon. Linthout tekende vanouds de humorstrip ‘Urbanus’ in een gezellige, Vlaamse stijl. Toen stierf zijn zoon Sam. Daarop reageerde hij met het tekenen van een achtdelige grafische roman over zijn ontreddering, die inmiddels in meerdere talen is vertaald: ‘aren van de Olifant’. Door alle stress na het overlijden van zijn zoon ontwikkelde Linthout een kwaal die ‘slaapapneu’ wordt genoemd. Hij werd “150 keer per uur wakker” en was de hele dag doodmoe. Zijn arts wist maar één remedie: voortaan naar bed met een Continuous Positive Airway Pressure-machine (CPAP), een apparaat dat lucht naar binnenpompt via een slang en een plastic mondkapje. “Je lijkt wel een olifant!” riep zijn vrouw, en zo ontstond de titel van zijn boek.

In december 2009 kreeg Linthout de Bronzen Adhemar uitgereikt, Vlaanderens belangrijkste stripprijs. Een bevestiging van de kwaliteit van zijn boek. Interessant is dat hij ‘Jaren van de Olifant’heeft getekend in zijn vertrouwde Urbanus-stijl, maar dan wel geheel in potlood, onaf dus. “Sams leven is ook onafgewerkt. Het is bruut en bruusk geëindigd,” zei hij tegen het Nieuwsblad. “Het boek is mijn eigen therapie.” Linthout had over zijn rouwperiode ook een ‘gewoon’ boek kunnen schrijven, maar vond dat te afstandelijk. Tegen het Nieuwsblad zei hij ook: “Ik zag de boeken van mijn vrouw over rouwverwerking, daar zijn er al zoveel van. Toen dacht ik: laat ik maar doen wat in mij zit en een strip maken, een mengeling van fantasie en realiteit. Louter en alleen vertellen wat er gebeurd is, zou me slecht afgaan. Het verhaal is dus verzonnen, maar de gevoelens zijn echt.? Dat hij als alcoholist ronddreef in het riool van Antwerpen is bijvoorbeeld fictief, dat zijn huwelijk bijna op de klippen liep is reëel. Halverwege het tekenproces zei hij: ?Ik zit wel eens te wenen aan mijn tekentafel als ik eraan werk. Dat is allemaal niet erg, maar ik mag niet helemaal de dieperik ingaan door aan de strip te werken, dan ben ik fout bezig. Maar als ik er aan zit te tekenen voel ik me bijna altijd ontzettend goed. Omdat ik dan het gevoel heb dat ik dichter bij mijn zoon kom. Ik voel dat dit het werk van mijn leven is.”

In januari 2010, tegenover de Volkskrant, nuanceerde Linthout zijn mening over het fictieve gehalte: “In JVDO komt geen enkele fictieve passage voor, het is allemaal echt gebeurd, maar ik heb er wel steeds ‘iets’ mee gedaan. Ik heb eraan geprutst en verdraaid en omgekeerd, ermee gefantaseerd. Natuurlijk zou het mogelijk zijn de periode te beschrijven zoals ze was. Dat zou echter om verschillende redenen onverstandig geweest zijn. Als je iets kent van therapie, dan weet je dat daar ook altijd met ‘beelden’ gewerkt wordt, en niet met rechtstreekse gebeurtenissen. Of in elk geval heel weinig. Het boek is mijn eigen therapie, hé! Verder ben ik ook stripmaker, ik wou dat de strip ook leesbaar was voor de lezer, het moest een strip blijven…”

Na zijn magnum opus tekende Linthout deel 136 van de Urbanus-reeks, ‘De Killerkok’, dat thematisch nauw aansluit bij ‘Jaren van de olifant’ maar verder pure lolbroekerij is. Of toch niet? Dit is de synopsis van het boek: ‘De familie Urbanus verkeert in diepe rouw: nadat Cesar is overleden aan zijn tabaksverslaving, probeert zijn ziel uit alle macht zijn lichaam te verlaten. Terwijl Urbanus de ziel van Cesar probeert tegen te houden, wordt Eufrazie hopeloos verliefd op een stripfiguur die beweert Guust Flater te zijn.’ Ernst afgewisseld met luim, maar met rouw als rode draad. In hoeverre heeft ‘Jaren van de Olifant’ zijn Urbanuswerk beinvloed? “Op geen enkele manier heeft dat boek mijn Urbanusstrip beinvloed. Om aan De Killerkok te werken, of aan eender welke Urbanusstrip, is helemaal niet raar! Dat is gewoon een ander luikje van mezelf dat ik opentrek! Het boek waar ik nu aan werk, vertelt het waargebeurde verhaal van een moeder die haar gehandicapte kind verliest. Daarna krijgt ze zelf kanker en ook nog de ongeneesbare ziekte lupus. Ik heb bijzonder veel bewondering voor deze dame: niettegenstaande de drama’s die haar leven overschaduwen is zij een van de vrolijkste mensen die ik ken. De manier waarop ze probeert te overleven, is zeer bewonderenswaardig. Het verhaal drong zich op, ik kan niet anders dan dit boek maken. Het heeft als werktitel ‘De leveling’. We zijn allemaal stervelingen. Deze mevrouw heeft echter zoveel positieve levenskracht in zich dat ze geen sterveling is, ze is een ‘leveling’. Vandaar.”

Goblet, Pedrosa, Hornschemeier

Sommige passages in ‘Jaren van de olifant’ zijn strikt autobiografisch, andere zijn dus fictief. Door van het echte verhaal een bedacht verhaal te maken, schept Linthout afstand en is hij in staat om zijn eigen trauma als het ware te mythologiseren. Dominique Goblet deed hetzelfde toen ze de dood van haar vader onderwerp maakte van het stripboek ‘Souvenir d” une journée parfaite’, waarin ze een fictieve vader opvoert die ze de naam Matthias Kahn geeft. Andere identiteit, zelfde rouwproces. Voorin het boek schreef ze dat het
verschil tussen fictie en non-fictie minder groot is dan men geneigd is te denken: wat wij zogenaamd verzinnen, komt uit het diepste van onszelf.

Ook de Franse tekenaar Cyril Pedrosa koos voor de mythe toen hij besloot een grafische roman te tekenen om vat te krijgen op iets waar hij met zijn verstand niet bij kon. Goede vrienden van hem verloren hun kind en Pedrosa was verbijsterd. Zijn boek ‘Drie schimmen’ speelt zich af in een ver en verzonnen land, waar een vader met zijn zoontje op de vlucht slaat voor drie dreigende
gedaanten. Na een lange reis komt de vader tot het inzicht dat hij zijn zoontje niet zal kunnen redden en moet laten gaan, wat Pedrosa in beeld brengt met adembenemende tekeningen. In een interview zei de tekenaar dat de echte vader zijn boek niet heeft willen lezen, de moeder was daar wel toe bereid: “Ze heeft me verteld dat ze het er heel erg moeilijk door had. Het reet wonden open. Toch heeft het album weinig met de realiteit van doen. Het verhaal speelt zich af in een verre, verleden tijd, in een gefantaseerde setting.
Maar het is wel een verhaal over een fundamenteel onderwerp: de angst die iedere ouder heeft om zijn kind te verliezen.”

Kinderen kunnen ook bang zijn om hun ouders te verliezen. Daarover gaat ‘Moeder, kom thuis’ van Paul Hornschemeier, dat afgelopen najaar in vertaling verscheen. Het vertelt het fictieve verhaal van een man die euthanasie heeft gepleegd op zijn vrouw en vervolgens in een psychiatrische inrichting belandt. We zien zijn onvermogen om met het verlies om te gaan door de ogen van zijn
zoontje, die zichzelf weer verschuilt achter een leeuwenmasker. Het zoontje blijkt echter sterker dan de vader: hij bevrijdt hem uit de inrichting, waarna de vader ‘met de hulp van datzelfde zoontje’ een eind aan zijn leven maakt! Dat klinkt als een tearjerker van jewelste, maar Hornschemeier heeft het boek heel sober getekend en het verhaal heel terughoudend opgeschreven. Toch is het een opluchting om te weten dat het ‘maar’ verzonnen is. Begin januari stelde ik per mail enkele vragen aan Paul Hornschemeier over
zijn boek:

JP What brought you to write and draw this story? Was there an example in your private surroundings?

“There was a constellation of events that went into the writing of the story. One such event was visiting my parents’ house just after the girl I was engaged to marry had left me. I was thinking quite a bit about long term relationships coming to an end (for obvious reasons) and I recall looking at my parents, who have been together for several decades and are getting noticeably older, and realizing that in all likelihood one of them will die before the other, which is antithetical to my vision of them as a unified presence. It made me more concretely consider what this must be like, to be separated from someone with whom you’ve constructed a unified identity over such a long period of time.

One of the other moments was that of my Symbolic Logic professor in college having a bit of a breakdown in class. He and his wife had recently been on safari and she was having a life-threatening reaction to the malaria vaciantion she had been required to take. My professor brought this up in class and started to yell about the Center for Disease Control’s improper testing for the vaccination, their ill-considered experiments, etc. But I could see past what he was saying, through the veneer of silence: this was a man whose life,
based mainly on logic, zeroes and ones, on reason, and he was being thrown into a situation beyond his control. His mind was clearly straining in the face of that conflict.?

JP Did you get response from people who actually experienced situations that they recognize from your book? And, if so, how did they respond?

“Yes, I received quite a few very intimate, personal accounts from people who experienced the sorts of events explored in the book. For the most part, it seems that the book was helpful to those people, something I’ve been very glad to hear, as it’s really not my goal to leave anyone worse for reading my stories. It was an odd experience for me, given that the book (while having certain elements of biography and autobiography) is a work of fiction. In the end, I can’t help but feel like an emotional tourist, so I’m glad to
hear the natives accepted my pidgin language.”

JP Euthanasia is more or less allowed in our country, not in yours (I believe). In your story the husband helps his wife with dying and than the son helps his father. How ethical is this, in your opinion?

“I think love should not be limited in the perverse ways that American society often does. When a life has become suffering, we have to love that person enough to absorb and experience whatever pain we’re caused by their loss. For that reason I think euthanasia is entirely ethical in a great number of cases. That is the least we can do for a loved one who is suffering severe mental or physical discomfort. I’ve experienced this with family members and have been very glad to know that my family has had the strength to put
the person they love and their well being before any thoughts of themselves.
I think American society has less of a problem with euthanizing pets, but even this seems to be changing, with more and more medical procedures being performed on animals every year. Life-prolonging is not life-bettering in all cases, and I think we lose sight of that. It is infinitely depressing to me that people treat humans or other animals as machines to be endlessly repaired, ignoring the happiness of the creature in question. Happiness and love are living, not the simple rise and fall of an inflating lung.”

Stok maakt zin

Barbara Stok verzint niks. Haar laatste bundel ‘Dan maak je maar zin’ opent met de plotselinge dood van haar zwager Guus. Zin maken is zin geven, en Barbara wijdt haar hele boek aan filosofische bespiegelingen over de dingen die dagelijks op ons pad komen. Zoals het overlijden van een zwager. De dood van Guus keert in haar boek telkens terug, totdat Barbara en haar vriend Ricky ermee in het reine zijn gekomen. “In het overlijden van Guus zag ik een mooi verhaal over hoe fragiel het leven is en over het zoeken naar de
zin ervan. En ook over hoe onhandig we in onze maatschappij met de dood omgaan.” Heeft ze er in therapeutische zin iets aan gehad? “Nee, maar dat was ook de opzet niet. Centraal in dit boek staat de vraag wat de zin van het bestaan eigenlijk is. Dat begint dus bij de dood van mijn zwager en eindigt bij een eenzame strandwandeling op Rottumerplaat. Ik krijg vooral veel reacties opdat centrale thema in het boek, meer dan specifiek op de scènes over het overlijden. Dat het zo vreselijk moeilijk is om abonnementen en bankrekeningenvan een overledene op te zeggen, is voor veel mensen wel zeer herkenbaar.”

Bestaat er niet zoiets als een te privé onderwerp voor een strip? “In principe is geen onderwerp te persoonlijk, zolang het maar een goed verhaal oplevert. Dat is het criterium. Dus zijn er ook een heleboel gebeurtenissen in mijn leven waar ik géén stripverhaal over maak. Voordat ik de strips over het overlijden van Guus ging maken, heb ik Ricky gevraagd of hij dat goed vond. Daarna was mijn enige zorg wat mijn schoonmoeder ervan zou vinden. Voordat het boek uitkwam heb ik het haar laten lezen. Gelukkig vond zij het heel
mooi.”

Willy Linthout: ‘Jaren van de olifant’, Uitgeverij Meulenhoff/Manteau, €
24,95, ISBN 9789085422006
Barbara Stok: ‘Dan maak je maar zin’, Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, € 14,90,
ISBN 9789038891156
Cyrille Pedrosa: ” Drie schimmen’, Uitgeverij Silvester, € 19,95, ISBN 9789058852663
Gerrie Hondius: ‘Pindakaas’, Uitgeverij Oog & Blik, € 11,9,5 ISBN 978 90
5492 081 6
Paul Hornschemeier: ‘Moeder, kom thuis’, Uitgeverij Atlas, € 19,90, ISBN
9789045013183
Dominique Goblet: ‘Souvenir d’une journée parfaite’, Uitgeverij FRMK, 16
€, ISBN 2-930204-35-4
Anders Nilsen: ‘Don’t Go Where I Can’t Follow’, Uitgeverij Drawn & Quarterly,
ISBN: 1-897299-14-1, $17.95 US, uitverkocht

N.B. Dit artikel werd eerder gepubliceerd op www.stichtingbeeldverhaal.nl

 

Geplaatst in Beeldcultuur